NaNoWriMo manuscript (met eerste correctie)

Omdat NaNoWriMo is begonnen, ben ik ook er mee bezig. De eerste keer en dit is hoofdstuk 1:

Hoofdstuk 1

~ Verhuizen is niet makkelijk ~

‘Mááh,’ zeurde Bram voor de zoveelste keer, ‘waarom moeten wij verhuizen?’
Mama zuchtte, ook voor de zoveelste keer en probeerde kalm te blijven. Ze moest wel, want de weg was druk en ze wilde niet met auto en al op een andere botsen.

‘Dat weet je toch, Bram? We hebben niet genoeg geld om in ons oude huis te blijven wonen nu papa weg is gegaan. En mijn ouders zijn zo lief geweest om voor ons een plekje te zoeken.’

‘Maar ik wilde helemaal niet weg uit Amsterdam,’ klaagde Bram. ‘Al mijn vrienden zitten daar, en nu gaan we naar een gehucht. Waarom moesten opa en oma nu net daar gaan wonen. Veel te saai. Toch Boet?’ En Bram porde zijn broer die rustig naast hem zat te slapen stevig in zijn zij.

‘Hè, wat?’ zei hij toen hij wakker schrok.

‘Zo, lag je weer te slapen?’ grapte Bram. ‘Ik zei dat Amsterdam veel leuker is dan zo’n stom dorp.’

‘Kan mij niet schelen,’ mopperde Boet terwijl hij wat slaap uit zijn ogen probeerde te wrijven. Hij had die nacht niet zoveel kunnen slapen. Waarschijnlijk vanwege de spanning voor de verhuizing en bovendien kon hij alleen maar aan zijn vader denken. Waarom was hij bij hen weggegaan en had hij zomaar zijn gezin achtergelaten? Mama had het wel uitgelegd en met zijn tien jaar was hij ook oud genoeg om het te begrijpen, maar toch snapte hij het niet. Of beter, wilde hij het niet snappen.

Bram en Boet waren een twee-eiige tweeling. Dat betekende dat ze niet op elkaar leken, maar wel bijna tegelijk geboren waren. Er zat maar twee minuten tussen, en Boet was de eerste die ter wereld kwam.

Samen met Bram en zijn moeder had Boet een gelukkig leven toen zijn vader nog bij hen in woonde. Maar ineens, zomaar zonder waarschuwing, was het allemaal over geweest. Zijn moeder had iets gezegd over een andere vrouw en hij had zijn moeder wekenlang ook horen huilen. Maar toch vond hij het niet eerlijk. Wat had die andere vrouw nou te maken met hun? Zijn vader kon toch nog wel bij Bram en hem blijven wonen? Wat moesten ze nu zonder hem. Hij was zijn beste vriend en nu was hij weg.

‘Het huis van opa en oma is groot genoeg voor ons allemaal,’ zei moeder, ‘en het zal vast niet saai zijn. Je vindt het toch altijd leuk bij hen?’

‘Jawel, maar de vorige keer woonden ze niet zo ver, en kon ik als ik mij verveelde nog naar mijn vrienden toe.’ En hij zuchtte diep.

‘Hoe lang moeten we nog,’ sprong Bram van de hak op de tak. ’Ik moet heel nodig naar de wc.’ Zo was Bram; nooit stond hij lang stil bij een onderwerp en het liefst stelde hij zoveel mogelijk verschillende vragen in een zo kort mogelijke tijd. Boet en mam werden er soms moe van, maar het maakte elke dag wel tot een verrassing.

‘Nog een uurtje wachten. Je was toch ook al geweest voordat we weg gingen? Kun je het niet nog even volhouden?’

‘Nee, natuurlijk niet. Ik moet nodig.’

Zijn moeder zuchtte diep in en uit en besloot toen dat het wijs was om geen discussie aan te gaan en gaf haar zoon zijn zin. ‘Oké, als ik het goed heb is er zo een pompstation. Kan ik meteen ook maar beter even mijn ogen rust gunnen. Hebben jullie honger?’ En ze keek in de spiegel naar haar twee zonen op de achterbank.

Bram glunderde en riep: ‘McDonald’s!’ En even leek hij zijn hoge nood vergeten te zijn.

‘Is dat goed, Boet?’ vroeg mama weer. En Boet knikte. Hij had wel een beetje honger, maar was nog steeds kwaad.

Zijn moeder leek te raden wat hij dacht en probeerde hem op zijn gemak te stellen: ‘Boet, ik vind het ook niet leuk, maar we moeten toch ergens logeren. Je weet dat je vader het huis wil verkopen en het is dus gewoon geen goede optie om daar te blijven wonen.’

Dat antwoord beviel hem niet, dus blies Boet: ‘Maar dan had je ons toch achter kunnen laten? Ik wil eigenlijk wel bij pa wonen. Altijd beter dan bij die saaie opa en oma.’

‘Ik snap best dat je dat wil, Boet, maar de rechter beslist daarover en tot die tijd zullen jullie het met mij moeten doen. En het liefst was ik ook als gezin samen gebleven, maar je vader heeft nu eenmaal zijn keuze gemaakt. Misschien is dit wel het beste.’ Plotseling veranderde ze van onderwerp. ‘Oh, kijk eens, een McDonald’s. Je hebt geluk, Bram, en eigenlijk lust ik ook wel een hamburger, dus ik doe met je mee.’

De auto gaf richting aan naar rechts en ze verlieten de snelweg. Beneden bij de stoplichten probeerde moeder Boet nog iets op te fleuren en zei: ‘Het zal best meevallen bij oma en opa. Zij missen je ook. En als we er zijn bellen we gewoon papa even. Is dat goed?’ Ze draaide haar hoofd naar de achterbank.

Boet gromde: ‘Kan me niet schelen.’

‘Maar lust je wel een hamburger?’ probeerde mama met een kleine glimlach.

‘Of anders lust ik die van hem wel,’ sprong Bram tussenbeiden.

‘Goed zo,’ zei mama en de auto trok weer op.

Na de tussenstop (Bram moest plassen als een beer, overdreef hij) duurde het nog vijfenveertig minuten voordat ze uiteindelijk in Vlieringen aankwamen. Het zou nog maar tien minuten duren voordat ze het huis van de grootouders zouden bereiken en Bram werd al wild. Hij wilde zijn opa en oma weer zien. Natuurlijk miste hij zijn vader, maar hij begreep ook hoe moeilijk de situatie op dit moment was, dus probeerde hij er het beste uit de situatie te halen. Bovendien kon Bram er niet tegen om zijn moeder elke avond te horen huilen in bed. Zijn broer Boet trok meer op met zijn vader en Bram was toch echt een moederskindje. Niet dat hij dat erg vond. Zo was de liefde goed verdeeld binnen familie Boterveld, had zijn moeder een keer tegen hem gezegd.

‘We zijn er,’ klonk de opgeluchte stem van moeder. ‘En kijk eens wie ik daar al zie staan?’

Bram had zijn opa en oma al zien staan op de oprit en zodra de auto stopte deed hij snel het portier open en vloog hen om de hals.

‘Hoe is het, mijn jongen,’ zei zijn opa. ‘Laat mij eens naar je kijken. Tjonge, je wordt al groot zeg. Volgens mij wordt je veel teveel verwend door je moeder.’ En hij knipoogde in de richting van zijn dochter, die de achterklep van de auto opende.

‘Help je me even,’ riep ze naar Boet, die met tegenzin uit de auto kroop. Hij had niet zo zin om zijn grootouders om de nek te springen en bovendien had hij ook een houten kont. Met zijn linkerhand gooide hij het portier dicht en met zijn andere hand wreef hij weer wat gevoel in zijn achterwerk.

‘Zo, ben je toch meegekomen Boet,’ grapte zijn opa, en voordat Boet kon antwoorden voelde hij een stevige arm om zijn nek. ‘Goed om je te zien jongen. Honger? Je oma heeft een lekkere appeltaart klaarstaan in de keuken.’

En op dat moment kwam een kleine dikke vrouw met een grote bril pretoogjes aanlopen. Vanachter haar grote bril waren twee kleine pretoogjes te zien.

‘Boet! Ik heb je gemist. Laat je niet gek maken door je opa.’ En opeens voelde Boet een natte kus op zijn wang. Snel veegde hij het vocht weg.

Opa gaf hem een bemoedigd klapje op zijn schouders, want hij begreep maar al te goed dat Boet niet zo van dat kleffe gedoe hield. ‘Ga je broer maar achterna. Deze oude man draagt de spullen wel naar binnen,’ zei hij lachend.

Boet slenterde naar binnen.

‘Hoe gaat het nu met jou, mijn kind,’ zei opa en keek plotseling ernstig naar zijn dochter.

‘We vinden wel een oplossing,’ viel zijn vrouw bij. ‘Voorlopig blijven jullie gewoon bij ons logeren. Het huis is groot genoeg en we kunnen wel wat leuke dingen vinden voor je kinderen. Ze zullen zich voorlopig niet vervelen, denk ik. Na de zomervakantie gaan we wel kijken of we iets op school voor ze kunnen regelen. Vlieringen is misschien klein, maar we hebben wel twee goede scholen. Toch Bert?’ En ze keek even naar haar man, die met een rood hoofd een grote doos uit de auto tilde. Op de zijkant stond met stift ‘badkamer’ geschreven.

Zonder te antwoorden liep hij naar de garage en zette de doos naast een werkbank.

‘Oh, het is veel te lang geleden kind,’ zei oma weer en ze omhelsde haar dochter nog een keer. ‘Die schurk. Hoe heeft hij het ooit in zijn hoofd gehaald om zo buiten de pot te plassen. Je bent zo knap.’ En ze streek een rode lok uit het gezicht van haar dochter.

‘Mam, zullen we het daar niet over hebben? Het was een lange reis en ik wil er even niet aan denken. Ik heb er genoeg tranen aan besteed. Ik wil het beste voor Bram en Boet. Vooral Boet heeft het er moeilijk mee. Hij en zijn vader waren natuurlijk de beste maatjes.’ Even blonk er een traan in haar ogen. Ze haalde haar neus op en zei: ‘Maar goed, we slaan ons er wel door heen.’

‘Zo is dat, meissie,’ en opa aaide haar weer over haar hoofd.

‘Bert!’ zei zijn vrouw en ze probeerde het haar van haar dochter weer in model te krijgen.

Met een glimlach pakte opa nog een doos uit de auto en sjouwde deze weer naar de garage.

De moeder van Bram en Boet had niet gelogen; het huis was inderdaad groot. Opa en oma waren natuurlijk al een paar jaar met pensioen, en hadden in hun leven genoeg kunnen sparen om het grootste huis in Vlieringen te kopen. In de grote stad zou dat nooit gelukt zijn, maar hier in het kleine dorp was hun droom toch uitgekomen. De keerzijde was wel dat ze niet meer dicht bij hun dochter woonden, en dat idee had ze ook jaren er van weerhouden om uit Amsterdam te verhuizen, maar uiteindelijk kregen ze toch de goedkeuring van hun dochter. ‘Ben je gek,’ had ze gezegd. ‘Natuurlijk moet je weggaan als je hier niet gelukkig bent. Volg je dromen. Voor je het weet is het te laat. Geniet er van zolang je nog kan.’ Natuurlijk was er toen nog geen sprake van een scheiding. Dat zou nog vijf jaren duren. Dus met een gerust hart verhuisden opa en oma naar Vlieringen.

 

Die avond werd er een waar feestmaal voorgeschoteld. Oma had zich niet in kunnen houden en presenteerde een lekkere preischotel, samen met een goed stuk vlees, twee grote hamburgers voor de kinderen en een nieuwe taart. Oma was berucht om haar taarten. Vroeger, meestal op zondag, bakte ze er al lustig op los. Die dag kwamen Bram en Boet, samen met hun ouders, altijd op koffiebezoek. Bram en Boet hadden meestal een weddenschap over de taart die oma nu weer had gemaakt, want geen zondag was hetzelfde.

Natuurlijk waren dit de jaren dat ze nog in Amsterdam woonden. Vandaag was de eerste keer dat ze taart in Vlieringen kregen.

‘Was het niet lekker?’ wilde moeder weten, en ze keek vooral naar Boet die de helft van zijn bord had laten staan. Het stuk taart was wel opgegeten.

‘Ging wel,’ mompelde Boet. ‘Zat vol.’

‘Als je later nog honger hebt,’ zei oma vrolijk, ‘dan moet je het maar even zeggen. Ik bewaar wel wat voor je.’

Boet haalde zijn schouders op, maar zei niets.

‘En jij Bram? Je zit zeker helemaal vol?’ Opa keek met een glimlach naar zijn bord en zag dat zelfs de saus was weggelikt.

‘Ja hoor,’ en Bram wreef over zijn buik. ‘Propjevol. Het was lekker, oma.’

‘Goed om te horen, mijn jongen. En je weet het, als je toch nog een gaatje overhebt, dan kan ik nog wel iets lekkers maken.’

‘Het is goed zo, mam,’ zei de moeder van Bram en Boet. ‘Er zijn nog genoeg dagen om te genieten van het eten. Ze hoeven niet vetgemest te worden.’

Opa schoof zijn stoel naar achter en stond op. ‘Zal ik jullie kamer laten zien,’ zei hij vrolijk en keek in de richting van de kinderen.

‘En de afwas mag ik zeker alleen doen, hè Bert?’ De stem van oma klonk een beetje gespeeld kwaad.

‘Ik help je wel, mam. Laten de jongens het huis zelf maar verder ontdekken. En geen ruzie maken over de slaapkamers maken hè?’ Ze keek streng naar Bram, want ze wist dat hij daarin altijd het hoogste woord had. In Amsterdam maakte hij ook ruzie over de grootte van zijn kamer. Die van Boet was, volgens hem dan, een meter groter en Bram had specifiek een grotere kamer nodig omdat er anders geen ruimte genoeg was voor zijn bed. Boet was daarin een stuk makkelijker. Hij wist wel dat zijn bed net zo groot was, maar gaf uiteindelijk toe aan de nukken van zijn broer om zo maar van het gezeur af te zijn en verhuisde naar de kamer aan de voorkant van het huis. Uiteindelijk was dat ook de beste keuze, want zo kon hij lekker naar de mensen op de grachten kijken. Vooral ‘s avonds, als de lampen aangingen, leek hun straat wel een sprookje. Hij miste Amsterdam.

Opa stopte wat tabak in zijn pijp en stak hem aan. ‘Komen jullie?’ en hij ging de kinderen voor. Ze liepen de trap op en kwamen in een lange gang, met wel zes deuren; drie aan elke kant. En boven hun hoofd een luik, die leidde naar een zevende kamer.

Opa deed de eerste deur open en zei: ‘Voor de hoge nood en je tanden.’ De badkamer was niet al te groot. Er stond een nette wc-pot en er hing een wasbak aan de muur, met een plankje voor de tandpasta en tandenborstels.

‘Oma heeft al wat voor jullie gekocht,’ en wees naar de twee nieuwe tandenborstels. ‘Jullie moeten zelf maar even de kleur uitzoeken.’

Er was geen douche. Vanwege het gemak hadden de grootouders er een op de begane grond laten maken. Die lag pal naast de slaapkamer van opa en oma. Zo hoefden ze geen trappen meer te lopen. Dat scheelde weer wat in de pijn die opa een aantal uren per dag voelde vanwege zijn reuma.

Achter de tweede deur ging een kleine kamer met een bureau schuil. Deze kon gebruikt worden als studiekamer. Er stond ook een computer en Bram veerde meteen op toen hij die zag. ‘Mogen wij die gebruiken, opa?’ Hij had al zijn liefste gezicht opgezet, want hij verwachtte dat zijn opa nee ging schudden.

‘Ja hoor, maar alleen als je er niet te lang achter blijft zitten. Het is ook belangrijk om wat frisse lucht op te snuiven.’ En hij deed het voor. ‘Er zijn nog genoeg dingen te doen in Vlieringen, dus ik denk echt niet dat jullie je gaan vervelen. Kom, hier zijn jullie slaapkamers.’

De deur aan het einde van de gang, en die daar tegenover, waren de kamers voor de twee broertjes. Beiden even groot, dus Bram zou er geen probleem mee hebben. En gelukkig bleek dat ook niet het geval. Hij nam die aan de voorkant van het huis en Boet kreeg de kamer die uitkeek over de grote tuin. Hij vond het best. Het was toch niet zo mooi als de grachten van Amsterdam. Als er maar een bed stond. De rest was niet belangrijk.

‘Ziet er goed uit opa,’ zei Bram en hij dook op het opgemaakte bed. ‘Lekker zacht ook,’ grinnikte hij.

‘Hou je alles wel heel,’ glimlachte zijn opa. ‘Oma heeft flink haar best gedaan om alles netje op te maken en ik heb zelfs gestofzuigd.’ Hij deed net alsof dat een hele opgave was geweest en veegde onzichtbare zweetdruppels van zijn hoofd.

De kamers waren ongeveer net zo groot als in Amsterdam. Naast een redelijk grote kledingkast stond ook nog een klein tafeltje met daarom een vaas geurende bloemen, en verder hingen er wat planken aan de muur. ‘Voor jullie schoolboeken,’ legde opa uit. ‘Maar dat komt later. Als er nog wat mist, dan kunnen we nog wel kijken of er iets nodig is. Er is een woonboulevard aan de rand van het dorp, dus mogelijkheden zat.’

‘Oh? En is er ook een McDonald’s?’ vroeg Bram blij. Hij wist dat er meestal wel een McDonald’s stond bij een woonboulevard en het water liep hem weer in zijn mond, ook al had hij net gegeten. Zijn moeder noemde hem soms voor de grap een vuilnisvat; wat je hem ook gaf, hij at het altijd gretig op. En zelfs midden in de nacht was Bram nog te porren voor zijn lievelingseten, de hamburger.

Opa glimlachte. ‘Nee, helaas. Vlieringen is niet zo groot.’ En toen hij een teleurstelling zag verschijnen op het gezicht van zijn kleinzoon, voegde opa er aan toen: ‘Maar je oma kan prima hamburgers bakken en de volgende keer zal ik wel om Franse frietjes vragen. Je zult de McDonald’s hier echt niet missen hoor, lachte hij.

‘Kom,’ en hij duwde Bram en Boet uit de deur, ‘tijd voor een kopje thee, samen met oma en jullie moeder en daarna, denk ik, is het wel tijd om naar bed te gaan.’

‘Opááá, we zijn geen baby’s meer hoor,’ klaagde Bram meteen en Boet knikte instemmend. Maar eigenlijk was Boet toch wel moe vanwege de lange zit in de auto, dus echt veel tegenstribbelen deed hij niet.

‘En wat is dat luik boven ons?’ wilde Bram nog weten voordat hij de trap naar beneden nam.

‘Oh ja, dat is de vliering, maar die zal ik morgen wel laten zien. Kom, je moeder wilt het vast ook niet laat maken. Morgen is er weer een dag en dan gaan we het dorp ontdekken.’

Die avond duurde het niet lang voordat de twee broers dromenland betraden. Bram had nog wat televisie willen kijken, maar kon zijn ogen bijna niet meer open houden, dus de kinderen gingen vroeg naar bed. Hun moeder had ook een kamer op de eerste verdieping gekregen en ging niet veel later ook naar haar bed. Ze had nog wel even in de kamers gekeken of Bram en Boet echt sliepen, maar dat bleek niet nodig. Boet was zelfs zo moe dat hij zijn afspraak met zijn moeder was vergeten en niet naar zijn vader had gebeld.

Langzaam viel de rust over het huis, die soms zacht verstoord werd door het snurken van opa.

Maar gelukkig werd niemand wakker.

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s